1. Om je maar een idee te geven#2.1

    Er werd gelachen, gelegen, gepraat, gedroomd. Verlegd, dichter, nog dichter, hoofd aan hoofd, schouder aan schouder, vervolgens been aan been. Er werden handen vastgehouden, dichter, nog net iets dichter. Geknuffeld. Genoten, gezwegen, gestaard, gedacht, gepiekerd. Kus, nog een kus. Stiekem, snel nog een. Meer gelegen, meer gezwegen, dichter, gekust. Geknuffeld, getoekomstdroomd, gefantaseerd. Nog niet wild, niet pikant. Later wel. Zo ook gestreeld, gekeken, gespiekt, in het donker. Gefriemeld, geklunneld, gepiemeld, gevingerd, gepijpt, snel nog eens gekeken, gevoeld, gevreeën. Waarna gelachen, genoten, gelegen, geslapen, diep geslapen, mooi geslapen. Ontwaakt, gekeken, gestreeld, gekust, gevreeën, gegeten. Gedouched, gefietst, gewandeld. Er werd gesproken, dieper gesproken, steeds meer gedoorgrond. Geprobeerd te begrijpen, zo niet gesproken, zo niet gediscussieerd, zo niet geruzied. Soms genegeerd. Dikwijls meer gepraat, geprobeerd te begrijpen. Vrede bewaard, dat ook. Gelogen, verzwegen, voor de vrede te bewaren, dat ook. Nooit bedrogen, nog niet, gewoon niet. Niet beloofd, niet verloofd, niet getrouwd. Opnieuw gevreeën, om het goed te maken. Opnieuw geknuffeld, opnieuw gekust.

    En gestopt.

    Omdat herhalen wat voordien gebeurd geen zin had. Voorlopig toch. Er werd niet langer begrepen, nog minder geprobeerd, nog minder geluisterd. Alleen veroordeeld en bevooroordeeld.

    Het was maandagavond, en uit gewoonte zou ik wat vroeger dan een doorsnee avond bij Eva in de zetel gaan zitten. Dan dronken we een glas wijn terwijl we naar de televisie keken, of een boek lazen en er op de achtergrond een van vaders platen de stilte in huis vulde. Want dan werd er niet veel gesproken. Er word gewoon in het algemeen minder gesproken. Ze was er, en daar bleef het bij.

    We hadden het daar ooit wel eens over gehad, omdat dat moet, praten in een relatie. Maar ons praten lukte meestal niet zo goed. Vroeger lukte dat wel nog eens, tot de gewoonte onze relatie beïnvloedde en het alternatief, zwijgen, voor afwisseling zorgde. Of toch voor even. Het logische gevolg van dat zwijgen was dat we een groot deel van de tijd naast elkander leefden. Toch was ze de persoon die me steeds weer in haar armen sloeg. Ze vroeg me steeds opnieuw de liefde. En die gaf ik haar graag, in de hoeveelheid die ik had. Het gebeurde wel eens, steeds vaker, dat er geen of weinig liefde is om terug te geven. En dan ben ik gewoon bij haar, want dat volstaat. Wat in deze relatie niet wederzijds is. Eva wilt graag gezien worden. Hoe meer ze graag gezien wordt, hoe liever ze het heeft.

    Omdat aan dit vooral geen einde mocht komen, werd er geprobeerd. Gepraat, opnieuw gepraat. Gekust. Gewandeld, hand in hand, al dan niet in de jaszak. Er werd wel eens gevreeën, of geknuffeld en gefriemeld.

    De relatie die uit liefde voorkwam, hield niet langer stand en viel geregeld in. Ze werd hersteld, telkens opnieuw. Tot ik er niet meer aan wilde bouwen en mijn kant liet voor wat het was. Ik kon het zo wel verder, vertelde ik mezelf. Dan zou ze naast me leven uit liefde, en zou ik het onderhouden uit vriendschap. Tot op de dag dat ook zij realiseerde dat het zo niet verder kon. Het besef was bij haar binnengebroken.

    Ze huilde. Ze huilde veel. En ze vertrok.

    Op die maandag ging ik echter niet vroeger naar beneden. In plaats daarvan zat ik in mijn bureau een brief te schrijven. Abnormaal is dat niet, want zo schreef ik wel vaker brieven. In merendeel van de gevallen schreef ik ze naar de dokter. Maar soms schreef ik ook wel eens een brief naar George Clooney. Dan vroeg ik hem of we samen eens een van zijn koffies gingen drinken. Laatst schreef ik hem over welke zonde ik het vond dat die mooie vleugel tegen de grond moest worden te pletter gestort. Maar tot nog toe heb ik daar geen antwoord op gekregen. Ook schreef ik naar mijn buurvrouw. Dat vond ik leuk, want ik kreeg al snel antwoord terug. En hoewel ze mijn buurvrouw was, en dus vlak naast me woonde, kleefde ik er toch steeds een postzegel op. Voor de charme, of het idee.

    De brief die ik die maandag schreef, was geen brief dat de dokter in handen moest krijgen. Ook George Clooney niet, zelf niet mijn buurvrouw. In werkelijkheid wist ik zelf niet wie mijn ontvanger was. Of toch niet meer dan een naam. Ik had geen adres, geen beeld van hoe mijn ontvanger de straat op kwam. Als ze die al op kwam. Wat ik wel had, was de vriendschap met haar zus.
    Ik belde haar deze middag. Ik zei haar niet veel, buiten dat ik haar morgenmiddag graag wilde zien. En dat was geen probleem. Ze zou snel naar de plaatselijke buurtwinkel gaan om een belegd broodje, en dan zou ze hierheen komen. Wat ik goedkeurde en erbij voegde dat ik wel voor de koffie zou zorgen.

    Waar ik op voorhand echter niet aan had gedacht, is dat de koffie op is. Zoals altijd.

     

  2. 'Geen vijven en zessen,' had de dokter gezegd. 'Je hoeft er zelf geen roman voor te maken.'

    Zij, de vrouw van de schrijver, heeft hem na negen jaren van trouw en liefde verlaten. Nu ze slechts enkel nog maar een mentale ring rond zijn vinger is, moet hij het leven dat voordien door en voor haar geleid werd, zelf in handen nemen. De schrijver doet niet veel. Hij doet zijn werk als schrijver, gaat af en toe op controle bij de dokter, en de treinreisjes zijn zijn vakanties. Nu en dan ging ik met een vrouw naar bed die hij hier of daar ontmoette.

    Het wordt dus ook geen roman. Jonas beschrijft de dagen en de nachten die hij zonder haar moest spenderen, en hoe hij op zoek gaat naar zichzelf. Tot hij op een dag het leven ontmoet, en dat nog mooier blijkt dan hij zelf voor ogen had kunnen houden.

    Ebook: https://mega.co.nz/#!8VF2RayY!ZCQIYArMoI-y70rkyik_8VDZmY9WKjMdjwAthrUanBY
    Het boek is ook in boekvorm te verkrijgen! Stuur voor meer informatie en mailtje naar hallo@jonasleupe.be !

     


  3. Om je maar een idee te geven // #17

    Waarom was het enige souvenir wat ik meedroeg eigenlijk een slechte herinnering?

     


  4. Om je maar een idee te geven // #16

    Ik ben vannacht, ondanks het gezelschap dat zich voor het eerst in jaren naast me bevond, opgestaan. Hoewel het pas na tweeën was, had mijn hoofd een uitzonderlijk verlangen naar licht en zuurstof. Een gevoel van eenzaamheid overviel de heerlijkheid waarmee ik gisterenavond een eind maakte aan de dag. Ik pieker. Piekeren over het gepieker. Het niet kunnen loslaten van fouten die ik of mijn medemens maakte. De vraag ‘wat als?’. Ja, ‘wat als?’, dokter? Wat als ik het kon loslaten? Wat als het verleden, Zij, de persoonlijkheid aan mijn vinger, nadat ik mijn mond liet overlopen van de stenen die zich op mijn lever bevonden, gebleven was?

    Ook verliep de nacht niet zoals een nacht zou moeten lopen. Zoete dromen waarin we als zorgeloze tieners elkaar voor het eerst op de smaak van een versgetapte pint trakteren. Een pint die alleen zo goed kan smaken wanneer Hannelore, de dochter van de man die café de ‘Pick’ openhoud, op een warme en laffe zomeravond deze tot onze tafel bracht. Toen bekend werd dat ze enkel op vrijdagavond het café openhield, duurde het niet lang alvorens de concurrentie zich genoodzaakt zag om de vrijdagavond te sluiten. Café de Pick was in die jaren de plaats waar je op vrijdagavond opgroeide. Waar ik voor het eerst uit vrije wil een boek in handen heb genomen. Waar ik met anderen discussieerde over het al dan niet wegnemen van het dorpsbos. Waar ik voor het eerst een centje bijverdiende. Was het niet door de afwas te doen, was het door Stefaan, de homo onder ons, aan zijn trekken te helpen komen. Het is de plaats waar ik voor het eerst Marleen haar poes streelde. En vaststelde dat deze dringend binnen moest vanwege een opgezwollen blaas in haar nek. Later bleek het om een teek te gaan, die zorgvuldig en zonder complicaties verwijderd werd. Ze was me voor mijn ontdekking erg dankbaar. En zo was haar poes ook. Want wanneer Marleen haar poes meebracht naar het vrijdagavondgebeuren, was ik de eerste die deze mocht strelen.

    Maar zo was het dus niet. In plaats daarvan stond ik op waarna ik me naar de frigo bevond om daar een heerlijk fris glas Cola te vullen, en me vervolgens in de houten stoel - die mijn vader voor mijn veertigste verjaardag gaf - te zetten. Het enige wat ik daar de daarop volgende minuten deed, was voor me uit kijken en denken.

    Het liefst had ik die Eva van hierboven gewoon in mijn armen genomen. Haar zo dicht mogelijk tegen me aannemen en vertellen dat een persoon als zij de dagen kleurt. Althans de mijne. Dat ze met dat stemgeluid van haar me zonder veel moeite rustig kan doen worden. Mijn ingrediënt voor een gelukkig leven. De rust in mijn hoofd.

    Vanavond moet ik het echter zonder rust doen. In eerste plaats omdat Eva er niet is, althans niet op dit moment. Hier en nu.

    Als de dokter me nu zou bezigzien, zou hij er wellicht niet veel woorden aan vuil maken. En dat zou hij me in eerste plaats ook zeggen. Niet omdat hij er niet veel woorden aan wilde vuil maken, maar omdat het morgen maandag is. En dat maandag in de praktijk de drukste periode van de week is. “Jonas”, zou hij beginnen. “Waarom ben je op onze laatste afspraak niet komen opdagen? Ik versta best dat het niet altijd past, maar daarvoor maken we toch afspraken al van lang op voorhand? Je had me op zijn minst kunnen schrijven? Je weet dat je er geen roman van hoeft te maken. Je hoeft zelf niet rond de pot te draaien. Geen vijven en zessen, zoals we zeggen.” En hier dacht ik even over na. Wat bedoelde men toch steeds met die vijven en zessen? Ik besloot het de dokter de volgende keer te vragen. Nadat hij zijn zegje had gedaan. “Het moet zelf niet mooi geschreven zijn, zorg gewoon dat ik het kan lezen.”

    "Het moet zelf niet mooi geschreven zijn, zorg gewoon dat ik het kan lezen." "Zorg gewoon dat ik het kan lezen". En met deze woorden verplaatste ik mij naar de bureau die zich op de eerste verdieping van dit huis bevond. Ik nam een vel papier uit de printer, mijn beste pen in de hand, en noteerde. "Dokter, wat als?"

     


  5. Om je maar een idee te geven // #15

    Die avond zaten we dus, als ongepland, aan de bosrand die het einde van mijn tuin grensde. Op een bank, met aan weerszijden een zak die voordien gevuld was. Het was zo’n zak dat je de zaterdagavond na een werkdag van bij de dichtstbijzijnde frituur zou halen, omdat je daar zin in had. Of omdat je geen kookbui had. Ik heb vaak geen kookbui. Dat ik een buikje vol heb, is waarschijnlijk de oorzaak van die kookloze buien. Of omdat ik zin heb in de frituur. Dat zou ook kunnen. Een buikje vol, en een zakje leeg. Zo zaten we daar beiden met een halve liter Cola. De koude vervanger van mijn koffie. Ik zal Eva niet vertellen over mijn koffie gebruik. Dat is iets wat ze beter zelf zou ontdekken. Bij het opstaan bijvoorbeeld. Dat een mens van mijn leeftijd, die zijn leven lang hard gezwoegd en gezweten heeft, bij het opstaan wel een kop koffie verdient. En niet zomaar een kop koffie. De kop koffie die ‘zij die ooit mijn vrouw was’ klaarmaakte. Met een tikkeltje overdreven zoetigheid. Zo’n koffie wil ik ‘s morgens hebben om de dag tegemoet te gaan. Of om ze af te sluiten.

    Om een gespreksonderwerp aan de stilte toe te voegen, begon ik maar over Brussel. De ooit bruisende stad waar je als tiener moest opgroeien. De ooit bruisende stad waar je met bloemen in de haren over de wegen parradeerde. De ooit bruisende stad waar de grote en welgekende VRT toren staat. Diezelfde ooit bruisende stad waar ik Linda in een bruine kroeg ontmoette, waarna we een seksueel avontuurtje voor één nacht beleefden. Ook diezelfde bruisende stad waar Vlaanderen zich in 2013 zich beter zou van los maken. Om die reden dat het nu ondertussen een stad geworden zou zijn waar je als Belg niet veilig doorheen zou komen. Hangjongeren. Jeugd met kattenkwaad groot gebracht. Opstaan met als doel de massa zoveel mogelijk op de zenuwen te werken. Met geluidslekkende mp3-toestellen staan ze in groep aan de metrohaltes. En als dat nog niet erg genoeg is, wordt er bij gebrek aan beter nog eens geduwd en getrokken. Alsof er op het strand van Oostende daar geen plaats voor is.

    Vervreemd of ze net naar een zeurende eierdooier had zitten luisteren, zei ze me dat ik me zo laat op de avond niet meer druk hoefde te maken. Dat als ik het wilde, ze gerust een tas koffie wilde zetten. Omdat ik eruit zag alsof ik het kon gebruiken. En dat wilde ik. Wat ik vooraf niet wist, is dat wanneer ik koffie zou drinken, niet naast haar in bed zou mogen kruipen. “Naar koffie-ruikende mannen zijn allesbehalve opwindend”. Ze zou een slager als man gehad hebben, die bij het opstaan en het slapengaan koffie dronk. En tussendoor, wanneer het werk dat toeliet, er gemakkelijk nog eentje naar binnen speelde. “Ik heb geen probleem met mannen die koffie drinken. Wel heb ik er een als mannen koffie drinken, en het bed vervolgens met mij willen delen. Want dat als een man koffie dronk voor het slapen gaan, hij te actief was om haar de nodige nachtrust te geven.” En die had ze wel nodig. Want dat als ze een tekort aan slaap had, zoals vrouwen altijd zijn als ze een tekort aan slaap hebben, ze de volgende dag pissig door het leven zou gaan, en me geen koffie zou zetten. Ze was er ook steenvast van overtuigd dat een man na het koffie drinken, zich als een bosarchitect zou wanen. Ze had dat ergens gelezen, en door vriendinnen werd dit bevestigd. Dus was het een feit. Waarop ik voor mezelf besloot dat ik het niet voor feiten heb. Enkel voor de feiten die me goed uitkomen. Zoals bijvoorbeeld het feit dat koffie beter smaakt met suiker. Of dat spaghetti met ketchup hoorde gegeten te worden. En dat ik liever de borsten van Eva zag, dan die van Kate Moss.

    Die Kate had nog eens borsten. Maar ze waren niets vergeleken met de borsten van Eva. Het waren er zo’n paar waarvoor je drie grote handen nodig had om het volledige oppervlakte te bedekken. Hoewel dat het uitzicht bevorderde, is ermee overweg kunnen een andere opgave. Ooit had ik eens een vriendin die Tresha heette. Haar naam alleen al zou moeten omschrijven dat ze dezelfde grote van borsten zoals Eva had. We speelden vaak tettenklets, tot ze na een onverwacht manouvre bijna een van mijn polsen brak. Een vervolg is er nooit meer van gekomen. Omdat ik haar vertelde dat de rondellen van Kate wellicht gemakkelijker te bespelen waren dan die van Tresha.

    De koffie was op, en dat is voor mij het moment waarop ik zou opstaan, en slapen gaan. En dat vond Eva een goed idee. Net zoals ze het een goed idee vond om op de dag van over twee uur en zevenendertig minuten vroeg op te staan, en nadat ze me verse koffie zette, om boterkoeken te gaan. Als vriendendienst, en voor het gezelschap.

    Voor het eerst bedankte me iemand voor mijn gezelschap. En dat gaf me een goed, en vertrouwd gevoel. Ik zou er de dokter morgen over naar huis schrijven.

     


  6. Om je maar een idee te geven // #14

    Als ik het nu eens zou overslaan, dacht ik bij mezelf. Wat zou het voor kwaad kunnen doen? Het zou me geen extra okselhaar bezorgen, net zomin een verkoudheid. Enkel wat gezeur over orde en afspraken. En over hoe hard Sofie, de kat van dokter Van den Eijnde, mij gemist had. Ik zeg nu wel dat het zijn kat was, eigenlijk was het oorspronkelijk mijn kat. De dokter had het zo tegen me verteld. Dat hij Fiete, want zo heette hij de kat, enkel had gekocht voor mij, als ik op visite kwam. Hoewel ik dat sterk betwijfelde. Toen ik laatst in zijn praktijk Sofie dicht tegen me aannam, merkte ik op dat ze een vreemde geur had. En daaruit kon ik afleiden dat ze bij een ander had gezeten. Dus zo trouw bleek ze niet te zijn. Misschien zou ik dat wel als argument kunnen gebruiken waarom ik vandaag niet kom opdagen. Dan zou ik zijn gezeur er wel bijnemen.

    In plaats van langer aandacht te besteden aan gepeins over het gemekker van de dokter, haalde ik een boek dat ik onlangs in een goedkoop tweedehands winkeltje vond boven, en begon erin te lezen. Normaal lees ik nooit op de trein, omdat ik er altijd van overtuigd ben dat wanneer je te diep in je verhaal opgaat, je het station van je bestemming zou kunnen missen. En dat risico wilde ik liever niet lopen, behalve vandaag. Omdat mijn bestemming aan het eindstation lag, en dus behoorlijk zeker was dat deze me niet zou ontsnappen

    Ik zat ergens aan het uiteinde van de derde rij. Ik had me even goed twee rijen verder kunnen plaatsen aan het raam, maar dan zou ik door de buitenwereld teveel afleiding hebben gehad. Daarboven zou ik nog eens misselijk worden, omdat mijn oude ogen het beeld van de snelheid niet konden volgen. Dus besloot ik maar plaats te nemen naast een vermoedelijke leeftijdsgenoot, die er wel van hield om het leven buiten aan een hoge snelheid te bewonderen. De man had een baard. Ik hou wel van baarden. Het liefst had ik er ook een gehad. Geen grote, maar een kleine die mijn kale gezicht vervolledigde.

    Toen ik net op het punt stond de oude man te vragen hoelang hij hiervoor had moeten sparen, stootte de valies van een jonge veertigjarige vrouw tegen mijn boek, waardoor hij oncontroleerbaar plaats nam tegen de vloer. De vrouw bukte zich meteen en streek de geplooide bladeren glad. Eerst wilde ik haar na brullen. Omdat ik door haar onoplettendheid de pagina kwijt was, maar eveneens omdat ik zo geen gesprek had kunnen aanknopen met de bebaarde man. Maar ik bedacht me snel. Niet omdat ze een schoon figuur had, want daar was ik op mijn leeftijd toch te oud voor geworden. Wel voor haar spontane reactie. Het feit dat ze een boek glad streek, deed me vermoeden dat ze het niet zomaar een verzameling van papieren vond. Ze excuseerde zich en vervolgde haar baan op zoek naar een plaats.

    Mijn ogen volgden de schoonheid die ze achterliet naar de plaats twee rijen verder, aan het raam. Ze had die geur van wilde bloemen die me altijd aan haar, zij die ooit mijn vrouw was, deden denken. Ik liet de dromerige man naast me voor wat het was, verzamelde mijn spullen en stond op. Ik heb het altijd moeilijk gevonden om in een rijdende trein mijn evenwicht te kunnen houden, maar het lukte me wonderbaarlijk goed vandaag. Zo stond ik na negen hondenstapjes bij de rij waar Eva zat. Haar naam wist ik vanwege haar naamkaartje op haar valies, waar mijn oog op viel toen ze het boek van de grond raapte. Ik vroeg haar vriendelijk en zonder druk te leggen of de stoel links van haar mocht opgevuld worden door mijn persoonlijkheid. En dat mocht ik. Snel nam ik plaats en verantwoorde mijn belangstelling. “Er zijn mannen die u heilig zouden verklaren vanwege uw schoon figuur, maar dat is niet de reden waarom ik hier naast u kom zitten. U weet het, of u weet het niet, en wellicht zal u het niet weten, maar ik hecht enorm veel belang aan een vrouwelijk persoon die een boek niet ziet als een verzameling van papieren. U zou net als de dokter een standbeeld verdienen”. En daar dacht ik even over na. Men zou mij een eiland moeten cadeau doen voor al de wetenschap en klaarheid die ik de maatschappij al gegeven heb, en omdat ik op die manier de medemens een standbeeld zou kunnen cadeau doen.

    Ze keek me aan zonder veel te zeggen, wat me een vreselijk gevoel gaf. Wat zou men denken, vroeg ik mezelf altijd af. Ze zou mijn persoon kunnen bestuderen om daarna zichzelf de vraag te stellen of ze beter opstond en een andere plaats zocht in een wagon heel ver van hier, of gewoon maar rustig bleef zitten. Als mijn theorie zou kloppen, koos ze voor de laatste optie. En toch. Haar blik was op zoek naar iets. Het was net alsof ze doorheen het oude verschrompelde gezicht een verhaal of beeld probeerde te maken van de persoon die zich schuilhield. En net toen ik me dat realiseerde, alsof ze kon horen wat ik aan het denken was, haalde ze uit haar rugzak een oude Olympus boven. Het soort fototoestellen waar mijn vader in zijn jonge jaren vreugde mee beleefde. Vervolgens wondt ze hem op, en nam zonder ook maar een vraag te stellen een portret van me. “Om op te slaan”, vervolledigde ze zich. En ze haalde haar notitieboekje boven, waar ze de datum, het volgnummer van de foto en een notitie in schreef. Ze vroeg me naar mijn naam. “Jonas” zei ik haar. Toen duwde ze het kleine schriftje in mijn handen en gaf me een dwingende blik dat ik het moest lezen. “Van deze man heb ik een standbeeld te goed”. Het bracht een grijns op mijn gezicht, die haar ongetwijfeld opviel. “Als hier iets is dat een standbeeld verdient”, zei ze, “dan is het wel de glimlach op uw gezicht”.

    Nog nooit had iemand mij op mijn glimlach of grijns gewezen. Wellicht is dat een van die dingen waar men de dag van vandaag niet langer aandacht aan besteed. Maar zij dus wel. Dus vroeg ik haar of ze me deze avond wilde vergezellen. Ik had in wat ooit ‘het ouderlijk huis’ was wel nog een kamer die door mijn dochter benuttigd werd over. Daar kon ze gerust en met rust de nacht doorbrengen. Ze ging op mijn voorstel in, op voorwaarde dat zij het eten betaalde. “Afgesproken”, zei ik haar. En ik schudde haar een hand waardoor we net als twee zakenpartners de deal van ons leven hadden gemaakt.

     

  7.  


  8. Om je maar een idee te geven // #13

    Pas later op de dag begon ik te beseffen dat wachten niet langer een optie hoefde te zijn. Want dat ik mij ondertussen al een heel eind van punt a bevond. Ik zal dus nooit het antwoord dat de dokter me schreef kunnen lezen. En ergens vond ik dat nog zo jammer niet. Je hoefde aan de dokter maar een letter of woord te vragen, en hij kon zonder ophouden je de antwoorden op de vragen des leven geven. Zo iemand was de dokter wel. En vandaag had ik nu eenmaal geen zin in het lezen van lange brieven. Een reden temeer om mijn richting punt b te begeven.

    De grote vraag was echter waar deze vandaag zou plaatsvinden. Een zoektocht kon je het op zijn minst wel noemen. Maar dat hoefde niet meteen een probleem te zijn. Zoektochten is een van mijn specialiteiten. Zo ben ik al twaalf jaar onderweg. Onderweg naar een plaats waar ik de geliefde die ik twaalf jaar geleden verliet, ook voor het eerst echt kon verlaten. Onmogelijk is die opgave, maar ik doe mijn best. En iedere dag opnieuw sta ik op met het idee dat vandaag verandering zal brengen. Dat het geen dag vol rituele gebeurtenissen wordt. Zoals koffie drinken vroeg in de morgen, de krant van de dag ervoor lezen,.. . Maar ook dat werd een gewoonte.

    Een mens hangt zich teveel vast aan zijn gewoontes. Rokers kunnen na drie dagen met een beetje goede wil die tampon van tussen hun vingers halen. Net zoals de bakker met overgewicht, zijn probleem eenvoudig kan aanpassen door in de keuken te eten zonder andere handelingen uit te voeren. Maar de plaats waar ze zich bevinden, roept hen terug naar een gewoonte, een herinnering. De drang naar de gewoonte. En dat is de reden waarom ik enige tijd geleden vertrokken ben. Om die gewoonte, de drang naar het verleden, te doorbreken.

    Ik ben een hele tijd weggeweest van thuis. Lang genoeg om mijn hoofd te ledigen met alle overbodige braaksels die de mensheid de afgelopen jaren op me afstuurde. Nog even, en ik kon de trein die me richting punt b, het thuisfront bracht betreden zoals een koning dat na de jacht zou doen. Fier en trots op zijn vangst, zijn resultaat.

     


  9. Over tenen gesproken

    Het verhaal dat ik u allen graag had willen vertellen zou beginnen op een koude zomeravond aan de toog van café ‘de zoeten inval’. Ik was als 41 jarige nog te fris in mijn hoofd om op vrijdagavond rond het eerste middernachtsuur het eenzame bed te verwarmen. Misschien voelde ik me ook te dapper. Gekoesterd door de eeuwige herinnering aan alles wat met jeugdige tijden te maken had. Zo van die dagen dat je met vrienden non stop kon blijven trekken. Drinken om de dag erop geen kater te hebben. De constante roes. Dat is dan ook het enige wat ik van klare kijk op die tijd heb overgehouden. De rest heb ik verzopen en verslapen aan nachten niet langer dan vier uur.

    Op een dag als vandaag, geen vrijdag maar een dinsdag, stond ik stil. Zomaar even stil. Net zoals mijn vader zaliger ook vaak eens stil stond. Niet omdat hij dat zelf verkoos, of toch niet helemaal. Rita, de buldog van vaderlief, hield ervan om evenveel zomaar op het midden van het voetpad haar boodschap achter te laten. “Volgende voorbijganger, kan ik u vriendelijk verzoeken om zonder veel blazen en zuchten uw rechtervoet hier te plaatsen zodat beetje bij beetje mijn kak van deze stoep verdwijnt. Het leven van een hond is al armzalig genoeg om je eigen drol te hoeven opkuisen. Zo worden wij zelden gewassen en worden we praktisch verplicht onze tong drie keer op een dag het vuile werk te laten doen. Dat zien we de mensheid niet vaak doen. Of als dat nog niet genoeg is, wordt van ons alsook nog verwacht dat we de tafel - en bordresten helpen kuisen. Ja, het leven van een hond is hard”. Zo kwam het dus dat mijn vader vaak stil stond.

    En zo stond ik daar ook. Alleen welteverstaan. Zonder hond, kat of loopmeisje. Want zo hield ik ervan om na schoolwerk te gaan lopen. Liever niet alleen. Ik had tijdens mijn kinderjaren mijn ouders horen klagen over hoe onveilig het park wel niet was geworden. Dat wanneer men niet goed uitkeek, het er krioelde van wat zij bospoepers noemden. Wat kon dat anders zijn dan langharige beesten die ervan houden om zonder vragen je bek open te breken en hem vol te poepen. Daarom loop ik enigszins liever met een loopmeisje. Later kreeg ik veel de vraag waarom ik geen andere route koos. Ik antwoordde dat ik als echte Antwerpenaar niet echt aan verandering toe was. Zo kwam het ook dat de zogenaamde ‘nieuwe alliantie’ nooit de verkiezingen won. Men kreeg nooit mijn doorslaggevende stem. Wat wil je dan ook met een slogan als ‘De kracht van verandering’?

    Je kan echter niet zomaar mijn loopmeisje worden. Zo moest je in eerste plaats willen lopen. Daarnaast is niet alleen de wil, maar ook de capaciteit van groot belang. Met stelten had ik geen probleem. Evenmin met een rolstoelgebruiker. Je mocht enkel geen dikke troela wezen. En als laatste, maar daarom zeker niet minder waardig, moest je mooie tenen hebben. Wat als ik per toeval per ongeluk in de verkeerde kleedkamer stap en merk dat je lelijke tenen had? Ik zou van je walgen, en je zou niet langer mijn loopmeisje kunnen zijn. En maar goed ook. Lelijke tenen kan je je de dag van vandaag niet meer veroorloven, ben ik van mening. Niet alleen mijn loopmeisje, maar ook mijn bedpartner moest mooie tenen hebben. Anders kwam je er niet in, en stuurde ik je met kerst een cadeaubon ter waarde van een teenbeurt.

    Zo alleen, en zonder loopmeisje of bedpartner stond ik daar. Kijkend naar hoe de toekomst zich verder zette. Sinds die dag sta ik vaak stil. Net zoals mijn vader zaliger vaak ongewild stilstond.

     


  10. Om je maar een idee te geven // #12

    Ik ben moe, meer zelfs, ik ben het moe. En zo zijn mijn ogen ook. Doorweekt van het overvloedige bevochtingswater dat ze te verduren krijgen. En toch blijven ze er ongevraagd gebruik van maken. Watervrees tijdens een verdrinking.

    Krampachtig in bochten gedraaid, met een samengeperst lijf die alles wat teveel is eruit wilt krijgen. Het lijkt wel of het geen beetje verschil maakt. En zo zal het waarschijnlijk ook zijn. Maar soms moet men gewoon dingen doen waarvan men denkt dat dat het beste zou zijn. Of gewoon even niet denken. Dat kan ook verschil maken.

    Ik schreef Dokter Van den Eijnde vandaag een brief. Niet omdat hij het gevraagd had, of toch niet rechtstreeks. Natuurlijk bleef hij me wel vragen of ik nog geschreven had. En dat had ik, dus was hij tevreden. Maar toch wenste hij er nog altijd dat aan toe te voegen. “Jonas, je hoeft er echt niet het mooiste verhaal aller tijden van te maken. Gewoon alles opschrijven is het belangrijkste.” Zo zou zelfs rond de pot draaien een energieverspilling zijn. “En we moeten zuinig zijn, dat moet ik jou niet vertellen” voegde hij er nog aan toe. In mijn brief vroeg ik hem met een enkele vraagzin wat vandaag de dag nog een verschil kon maken. En nu moest ik enkel maar afwachten. Meer anders kon ik ook niet.

     


  11. Om je maar een idee te geven // #11

    Dat er minder moest gesproken worden, en meer geschreven, was ik vandaag van menig. En zo begon ik dus ook mijn dag, gevolgd door een Espresso met overdreven zoetigheid. Geen likeur, omdat ik nu eenmaal geen gewoontemens ben. Het duurde niet lang, of ik maakte aanstalten om het café waar ik 6 dagen geleden Miranda ontmoeten te verlaten. Ze zou me nooit meer zien, ging ik ervan uit. Want zo besloot ik de stad te verlaten, en mij terug richting het vertrouwde huis te begeven.

    “Varkens hebben toch geen leven.” Hoorde ik de vrouw aan de andere kant van de toog klagen tegen de muur. Ik zeg je tegen de muur omdat ik wil duidelijk maken dat er eigenlijk niemand was die naar haar verhaal wilde luisteren. Ik vroeg haar om leven te definieren. En dat kon ze niet, waardoor ze zonder pardon in mijn achting zakte. Dat zei ik haar ook, waarop ik het antwoord kreeg waarom ik haar behandelde als de tweelingszus van Dracula. “Niemand is de tweelingszus van Dracula. Want Dracula had helemaal geen tweelingszus.” Men moet eerst weten over wat men het heeft, voor men een vergelijking gaat maken. Dus noemde ik haar idioot. En stapte op, zonder te betalen. Dat was die barman me wel verschuldigd. Ik heb namelijk de helft van zijn job gedaan. Klanten entertainen door mijn aanwezigheid, de mensheid vindt dat de dag van vandaag allemaal zo vanzelfsprekend. Ik heb me ook hierheen moeten verplaatsen.

    Versuft slenterde ik door de straten, naar het huis waar Emma mij onderdak gaf, in ruil voor afwas. Daar eenmaal aangekomen schraapte ik al mijn bezittingen bijeen, en gaf haar een dikke pieper. “Merci meid dat ik hier de afgelopen dagen de nacht mocht doorbrengen. Maar wanneer ik in het vervolg op bezoek kom, wil ik op zijn minst wel een verwarming in die badkamer van je.” Ze knikte. En gaf me een vriendelijke kus terug, waarop ik zonder omkijken mijn rugzak hief en mij naar de voordeur begaf, die ik zonder omkijken achter me dichtsloeg.

     


  12. Morgen

    Met zoveel ongeziene schoonheid gaat ze de nacht in. Ze piekert over het moment van zojuist, dat van enkele minuten geleden. Het moment dat zowel voor haar als voor mij gisteren de dag van morgen ging worden. Morgen. Vurig hoopten wij dat morgen op een dag 2 jaar toekomstmuziek was. Doorgespoeld naar tijd waarin zorgen en aangebakken broden vergeten werden, en plaats maakten voor een ongeziene liefde. Geen sprookjestragedie, maar een verhaal dat begon bij twee pubers. Een doel, gedreven door idealisme dat enkel zij begrepen, was alles dat ze voor ogen hadden om niet enkel nooit meer alleen, maar samen de nacht in te trekken.

     


  13. Om je maar een idee te geven // #10

    Ik vroeg mezelf af of de bedlectuur van Herman Brusselmans in mijn achterzak paste. Want zo ging ik liever met de bekende schrijver wandelen dan met de hond van mijn buurvrouw. Dat is tenminste een vent. Hij kon over druiven schrijven alsof hij het over aardbeien had. Hij had het ooit eens over een dokter die hij in stukjes kon snijden en aan de varkens kon voeren. Ik herkende er mezelf in. Dan had ik het voornamelijk over dokter Van Den Eijnde. Er zijn varkens die mensenvlees eten, wist je dat? Wellicht niet, er valt zoveel te weten.

    Ik hoop nog steeds vurig dat er een dag komt waarop ik met een verkeerde koffie Herman kon vertellen over het probleem van de 21ste eeuw. Vettig haar. Vroeger kon haar niet vettig genoeg zijn. Smeerde men zelf de restjes van de boterpot in de haren voor men op de zevende dag de kerk betrad. Zo had moeder weer een potje meer om haar knopen in te droppen, en zagen wij er als klein mannen weer heilig uit. Zo had meneer pastoor het graag. Heilige jonge mannen. Met de ‘g’ van gelatine en gier. Hoewel dat laatste ook met een ‘h’ kon, maar dat daardoor de betekenis wegviel.

    Maar ik dwaal af. Wanneer men vandaag de dag een eenmalige wasbeurt zou overslaan, is het haar meteen vettig bevonden. Dokter Van Den Eijnde zou me vragen waar ik me toch druk over maak. Over vettig haar zou ik hem dan zeggen. Waarop hij me zou vragen of ik nog geschreven had? Want dat ik dat in geen geval mocht vergeten. “Je hoeft er niet het mooiste verhaal aller tijden van te maken. Geen vijven en zessen zoals ze zeggen. Gewoon alles opschrijven. Er is slechts één voorwaarde” zei hij. “Zorg dat ik het kan lezen.”

    Ik vroeg me af of de kwantumtheorieschrijver op een dag mijn verhalen zou willen lezen. Al zou die kans wel klein zijn. Hoe zou in godsnaam een van mijn levenswerken in zijn handen terecht komen? Misschien doordat een onbehoedzaam reiziger op een dag naar café De Nachtlamp een Fanta gaat drinken, en een van mijn wonderlijke meesterwerken aan het verslinden is. Wanneer zijn hond door een kort geblaf zijn meester duidelijk maakt dat het lang genoeg geduurd heeft. Zo zal hij zonder blazen en schaamte zijn tocht verder zetten en mijn boek achterlaten. De Gentse schrijver zou even later komen genieten met een van zijn koffiemeisjes om tijdens een koffie verkeerd zijn oog te laten vallen op het geschreven schoon dat de enige leegte op tafel vult. Wat later op het moment zal hij zonder enige nieuwsgierigheid het verhaal openen en verwonderd zijn naam zien staan. Ja, zo zal het zijn. Zo kan ik er op zijn minst vrede mee sluiten. Met de gedachte dat de reiziger het niet als vuurversneller gebruikte.

    Herman zou trots op me zijn geweest. En hij zou eveneens dokter Van Den Eijnde gelijk geven. Hij zou zelf zeggen dat deze dokter een standbeeld verdiende in plaats van aan de varkens gevoederd te worden.

     


  14. Om je maar een idee te geven // #9

    Toen ik na een korte wandeling door de verlaten bosdreef het café waar ik deze morgen mijn koffie dronk opnieuw binnenging, was mijn ontwaakplaats al ingenomen door een jongere dame in gezelschap van een stereotiep puberende jongen. Ze zagen er beiden verveeld en mottig uit. Hoe kon dat ook anders, als je op een nuchtere maag Sprite begint te drinken. Ik bestel mij een koffie. Met slagroom deze keer, omdat ik me heb laten vertellen dat wanneer men melk drinkt na de alcohol, men zo van een kater een mier zou maken.

    Te lui om mij om te keren en plaats te zoeken aan een van de cafétafels, koos ik uit gemakzucht voor de barkruk. Maar dat hield ik niet lang vol. Deels vanwege het weinige vet op mijn achterwerk, deels omdat die twee er nog versufter bij gingen zitten. Dus besloot ik maar met een kop koffie in de hand het paar tegemoet te gaan. “Heb je nu echt niet door dat je lelijke kop haar verveelt?” sprak ik de jongen aan. Waarop hij een beweging maakte die hem recht hielp, en het café verliet.
    Met een grijnzend gezicht schudde de jongedame me vriendelijk de hand. Ze vertelde dat ze Miranda heette, maar veel vriendinnen Mira zeiden. Waarop ik zei dat ik hen wel gelijk moest geven. Dat niemand een vriendin wil die de naam Miranda draagt. Je zou ervan beginnen schuwen. Maar dat ik het tegelijk ook weer erg vond. Een naam dient helemaal niet verkort te worden. Een naam is iets dat men door een ouder en wijzer persoon aan een pasgeboren wereldbewoner meegeeft. Met als doel deze met trots en fierheid te dragen.

    Ze trakteerde me op nog een gelikeurde koffie, en luisterde naar wat ik te vertellen had. Waarom ik op mijn eentje hier in een stad van vier muren ben beland. Ik vertelde haar over mijn vrouw, die me ondertussen sinds een een kleine twaalf maand geleden verlaten had. Niet omdat ze een andere vent had, maar omdat mijn kale kop haar wellicht niet meer aanstond. Begrijpelijk. “Ze was de persoon die ieder moment zou moeten gekust worden.”

    “Mis je dat?” vroeg Miranda me. “Ik mis voornamelijk de onverwachte seks. Als ik ’s avonds van werk thuis kwam, zat ze in de keuken met enkel een slipje aan te wachten bij een pot koffie. Meestal was deze de overbodige luxe, want die werd toch maar zelden benuttigd. Wat wil je?”. Ze keek me verbazend aan, en vertelde me dat ze mij ook een onverwachte beurt kon geven. En daar ging ik op in. Haar enige voorwaarde was dat er niet teveel versierseltjes mochten zijn. Gewoon pure seks, om de goesting te bevestigen.

    Voor ik afscheid van haar nam, vluchtte ik snel richting de bar. Daar lag een stapel bierkaartjes te wachten op een balpen die met een paar krabbels een boodschap tussen twee personen zou overbrengen. Ik pende snel mijn telefoon nummer neer, met de verwittiging dat ik vaak weken non-actief kon zijn. Ze kuste me, waarop we samen het café tegen middaguur verlieten.

     


  15. Iemand jij.

    Stilzwijgend oorverdovend gejanker. Verward ziek. Koud als dood niets zonder een verwoorde gedachte, gesproken gevoel. Ik met een lege pot. Verder leeg niets. Ik mis je, mijn lief. Missen als de stervende geen rust gunnen. Slapende rozen wekken tijdens winternacht. Een kleurenfoto rond het derde middernacht uur.