Ik ben vannacht, ondanks het gezelschap dat zich voor het eerst in jaren naast me bevond, opgestaan. Hoewel het pas na tweeën was, had mijn hoofd een uitzonderlijk verlangen naar licht en zuurstof. Een gevoel van eenzaamheid overviel de heerlijkheid waarmee ik gisterenavond een eind maakte aan de dag. Ik pieker. Piekeren over het gepieker. Het niet kunnen loslaten van fouten die ik of mijn medemens maakte. De vraag ‘wat als?’. Ja, ‘wat als?’, dokter? Wat als ik het kon loslaten? Wat als het verleden, Zij, de persoonlijkheid aan mijn vinger, nadat ik mijn mond liet overlopen van de stenen die zich op mijn lever bevonden, gebleven was?
Ook verliep de nacht niet zoals een nacht zou moeten lopen. Zoete dromen waarin we als zorgeloze tieners elkaar voor het eerst op de smaak van een versgetapte pint trakteren. Een pint die alleen zo goed kan smaken wanneer Hannelore, de dochter van de man die café de ‘Pick’ openhoud, op een warme en laffe zomeravond deze tot onze tafel bracht. Toen bekend werd dat ze enkel op vrijdagavond het café openhield, duurde het niet lang alvorens de concurrentie zich genoodzaakt zag om de vrijdagavond te sluiten. Café de Pick was in die jaren de plaats waar je op vrijdagavond opgroeide. Waar ik voor het eerst uit vrije wil een boek in handen heb genomen. Waar ik met anderen discussieerde over het al dan niet wegnemen van het dorpsbos. Waar ik voor het eerst een centje bijverdiende. Was het niet door de afwas te doen, was het door Stefaan, de homo onder ons, aan zijn trekken te helpen komen. Het is de plaats waar ik voor het eerst Marleen haar poes streelde. En vaststelde dat deze dringend binnen moest vanwege een opgezwollen blaas in haar nek. Later bleek het om een teek te gaan, die zorgvuldig en zonder complicaties verwijderd werd. Ze was me voor mijn ontdekking erg dankbaar. En zo was haar poes ook. Want wanneer Marleen haar poes meebracht naar het vrijdagavondgebeuren, was ik de eerste die deze mocht strelen.
Maar zo was het dus niet. In plaats daarvan stond ik op waarna ik me naar de frigo bevond om daar een heerlijk fris glas Cola te vullen, en me vervolgens in de houten stoel - die mijn vader voor mijn veertigste verjaardag gaf - te zetten. Het enige wat ik daar de daarop volgende minuten deed, was voor me uit kijken en denken.
Het liefst had ik die Eva van hierboven gewoon in mijn armen genomen. Haar zo dicht mogelijk tegen me aannemen en vertellen dat een persoon als zij de dagen kleurt. Althans de mijne. Dat ze met dat stemgeluid van haar me zonder veel moeite rustig kan doen worden. Mijn ingrediënt voor een gelukkig leven. De rust in mijn hoofd.
Vanavond moet ik het echter zonder rust doen. In eerste plaats omdat Eva er niet is, althans niet op dit moment. Hier en nu.
Als de dokter me nu zou bezigzien, zou hij er wellicht niet veel woorden aan vuil maken. En dat zou hij me in eerste plaats ook zeggen. Niet omdat hij er niet veel woorden aan wilde vuil maken, maar omdat het morgen maandag is. En dat maandag in de praktijk de drukste periode van de week is. “Jonas”, zou hij beginnen. “Waarom ben je op onze laatste afspraak niet komen opdagen? Ik versta best dat het niet altijd past, maar daarvoor maken we toch afspraken al van lang op voorhand? Je had me op zijn minst kunnen schrijven? Je weet dat je er geen roman van hoeft te maken. Je hoeft zelf niet rond de pot te draaien. Geen vijven en zessen, zoals we zeggen.” En hier dacht ik even over na. Wat bedoelde men toch steeds met die vijven en zessen? Ik besloot het de dokter de volgende keer te vragen. Nadat hij zijn zegje had gedaan. “Het moet zelf niet mooi geschreven zijn, zorg gewoon dat ik het kan lezen.”
“Het moet zelf niet mooi geschreven zijn, zorg gewoon dat ik het kan lezen.” “Zorg gewoon dat ik het kan lezen”. En met deze woorden verplaatste ik mij naar de bureau die zich op de eerste verdieping van dit huis bevond. Ik nam een vel papier uit de printer, mijn beste pen in de hand, en noteerde. “Dokter, wat als?”